.png)
.png)
Saskia wordt wakker en kijkt automatisch naar de lege plek naast haar. Beneden pakt ze twee mokken uit de kast, en merkt het pas wanneer ze ze op het aanrecht zet. Haar dochter appt hoe het gaat; Saskia typt "goed hoor, op naar mijn werk", er bestaat geen kort antwoord op hoe het écht voelt, en ze wil niet dat haar dochter elke ochtend verantwoordelijk voelt voor haar verdriet. Op kantoor lukt het haar om zich een paar uur te concentreren, tot een collega het over vakantieplannen heeft en ze merkt hoeveel dat nog steeds raakt.
Tijdens de lunch maakt iemand een grap. Saskia lacht hardop, en schrikt meteen van haar eigen plezier. Een deel van haar voelt opluchting. Een ander deel vraagt zich af of lachen betekent dat ze hem stiekem achterlaat. Na haar werk doet ze boodschappen en loopt langs zijn favoriete koekjes — vandaag loopt ze door, maar bij de kassa voelt het alsof ze iets heeft afgewezen. 's Avonds slaat ze een uitnodiging van een vriendin af, en baalt er meteen van dat ze opnieuw thuisblijft.
"Mag ik genieten zonder hem tekort te doen?"
.png)

