.png)
.png)
Marianne wordt wakker met een onrust die ze niet goed kan benoemen, en duwt die weg zodra haar man opstaat. Bij het ontbijt noemt ze haar werk, de boodschappen en een bezoek aan haar moeder. Ze noemt niet dat ze eigenlijk alleen naar een tentoonstelling zou willen. Op haar werk is ze de collega op wie iedereen kan rekenen, rustig, behulpzaam, weinig eisend. Wanneer een collega vertelt dat ze alleen op reis gaat, voelt Marianne bewondering, en meteen ook jaloezie waar ze zich voor schaamt.
Tijdens de lunch vraagt iemand wat ze zou doen met een maand helemaal vrij. Ze lacht en zegt dat ze waarschijnlijk het huis zou opruimen. De vraag blijft daarna hangen. Ze kan geen antwoord bedenken dat niet draait om haar gezin, haar plichten of wat anderen van haar verwachten. 's Avonds vraagt haar man aan tafel of er iets is. Ze zegt dat ze gewoon moe is, ze wil wel praten, maar is bang dat één eerlijke zin meteen een discussie wordt.
"Wat wil ik eigenlijk, wanneer niemand iets van mij nodig heeft?"
.png)

